Print:

De juiste werkwijze voor mobiele apparatuur in ATEX-zones

Gerdian Jansen , Veiligheidskundige

LinkedIn profiel

In geval van explosies is ca. 49% van de arbeidsongevallen uit het verleden, te herleiden naar werkzaamheden, zoals het gebruik van een ontstekingsbron en heetwerk. Het is dan ook niet vreemd dat op 1 februari 2020 de eisen voor het gebruik van apparaten en beveiligingssystemen binnen explosie gevaarlijke zones zijn aangepast, aldus Gerdian Jansen, Managing Partner bij EFPC N.V. In dit artikel neemt Jansen ons mee wat deze wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (afgekort ARBO-besluit) inhoudelijk betekent en welke gevolgen dit heeft voor uw werkwijze.

ATEX-zones en daarbij behorende ex-apparatuur

Er zijn diverse ATEX-zones. Allereerst is er onderscheid te maken tussen twee verschillende stoffen: gas- of dampexplosiegevaar met zones 0, 1 en 2 en stofexplosiegevaar met zones 20, 21 en 22. In dit artikel gaan we in op de gevarenzones met betrekking tot gasexplosiegevaar. Van de BRZO-bedrijven die met ATEX te maken hebben, zal het merendeel met gasexplosiegevaar te maken hebben.

Samengevat kan men het volgende stellen:
Zone 0: explosieve atmosfeer voortdurend, gedurende lange perioden of herhaaldelijk aanwezig.
Zone 1: explosieve atmosfeer onder normaal bedrijf waarschijnlijk af en toe aanwezig.
Zone 2: aanwezigheid van explosieve atmosfeer onder normaal bedrijf niet waarschijnlijk en waar, wanneer dit toch gebeurt, is het verschijnsel van korte duur (veelal in geval van storingen en incidenten).

In welke zone een bepaald gebied valt, is afhankelijk van de frequentie en de duur van de aanwezigheid van een explosieve atmosfeer. Hoe groter de kans en hoe langer de duur, hoe lager het nummer. Daarnaast is er natuurlijk ook nog een niet-gevaarlijk gebied, een afwijkend gebied en een inert gebied. Deze zijn niet gedefinieerd in de ATEX 153 richtlijn, maar wel in de NPR 7910-1.

Op basis van de zones worden eisen gesteld aan de apparatuur die je moet gebruiken. U wilt natuurlijk niet dat er gelijktijdig een explosieve atmosfeer als een ontstekingsbron aanwezig is. Daarom worden er eisen gesteld aan apparatuur zodat deze een voldoende mate van veiligheid (explosieveilig) borgen. Dit moet voorkomen dat er een explosie en/of ongeval plaatsvindt.

Hoe is het gebruik van mobiele apparatuur in ATEX-zones veranderd?

In februari 2020 werd de eis voor het gebruik van apparaten en beveiligingssystemen in artikel 3.5e onderdeel e van het ARBO-besluit eenduidig vastgelegd en dus ook voor mobiele apparatuur binnen gebieden met explosiegevaar. Deze wetswijziging kwam vooral voort uit het idee dat de vorige formulering ruimte leek te geven voor minder strenge eisen.

De wetswijziging heeft vooral veel gevolgen voor zone 1 en 2, waar voorheen makkelijker gebruik werd gemaakt van niet-explosieveilige apparatuur en een LEL meter. Bleek de meter lager dan 10% LEL aan te geven, dan werd ervan uitgegaan dat er geen explosieve atmosfeer aanwezig was en konden de werkzaamheden veilig worden uitgevoerd. Zelfs lassen en slijpen werd op een dergelijke wijze uitgevoerd. Dit is niet langer toegestaan. In de wijziging van het ARBO-besluit staat dat er altijd ten minste met categorie 3 apparatuur gewerkt moet worden in een zone 2. U mag niet meer alleen een LEL-meter gebruiken om uw werkzaamheden met niet explosieveilige apparatuur alsnog uit te voeren. Hier ligt de uitdaging, volgens Jansen, omdat voor lang niet alle mobiele apparatuur een explosie veilige variant bestaat en/of mogelijk is.

Dilemma van de fabrikant van ex-apparatuur

Volgens de toelichting op de wetswijziging behoort u aan de fabrikant te vragen naar de ontwikkeling van dergelijke explosieveilige apparatuur als deze nog niet bestaat, maar dat gaat in praktijk niet zo makkelijk, zegt Jansen.
Allereerst moet er een fabrikant worden gevonden die een dergelijk apparaat wil ontwikkelen. Iets wat niet elke fabrikant zomaar wil en kan. Ten tweede kost het veel tijd om zo’n apparaat te ontwerpen en bouwen. Een aanvraag vandaag betekent niet dat u morgen het apparaat in huis heeft. En ten derde hoort de fabrikant ook rekening te houden met het beoogd gebruik door de gebruiker en aannames doen over het beoogd gebruik van zijn product.

Fabrikanten moeten de (explosie)veiligheid van het apparaat afstemmen op de gebruiker van het betreffende apparaat, dat de fabrikant heeft aangegeven in de productinformatie en onder de gebruiksomstandigheden die redelijkerwijs kunnen worden voorzien. Dit is met name relevant in gevallen waarin misbruik van het apparaat mogelijk/waarschijnlijk is – zelfs als het ATEX-apparaat normaal gesproken wordt gebruikt door getraind personeel. Daardoor komt het voor dat sommige apparaten nooit explosie veilig gemarkeerd kunnen worden op basis van de productrichtlijn. In zo’n geval wordt teruggegrepen naar de wijze van toezicht door Inspectie SZW voor de uitzonderingen.

Uitzonderingen mobiele apparatuur gebruik

Omdat er niet altijd explosie veilige apparaten op de markt aanwezig zijn, mag u volgens Inspectie SZW soms afwijken van de wet. Dit alleen wel onder strikte voorwaarden. Inspectie SZW heeft een document met de wijze van toezicht opgesteld voor mobiele apparatuur waarin wordt beschreven waar zij bij inspecties naar kijken en onder welke omstandigheden er mag worden afgeweken van de wet. Deze afwijkingen gelden wel alleen voor zone 2. In zone 0 of 1 mag in geen enkel geval afgeweken worden.

Zo staat in de voorwaarden onder andere dat er sprake moet zijn van een situatie waarbij het stilleggen van de installaties voor aanvullende risico’s kan zorgen. Ook mag het geen structurele uitzondering zijn waar met regelmaat gebruik van wordt gemaakt. De uitzondering geldt dan ook alleen gedurende de periode totdat een explosieveilig apparaat ontwikkeld is. Hierop zal ook streng gecontroleerd worden bij inspecties. Waar de audits vanwege corona tot nu toe vooral online en procedureel zijn beoordeeld sinds de wetswijziging, zal het nu steeds meer op de werkvloer gecontroleerd worden.

De gevolgen voor u in de praktijk

U zult altijd de arbeidshygiënische strategie moeten bewandelen. Dat houdt in dat u bij werkzaamheden binnen een zone altijd vragen moet stellen als: kunnen de werkzaamheden buiten de gevarenzone plaatsvinden? Kan ik de brandbare stof helemaal weghalen? Kan ik met een ander geschikt explosieveilig apparaat de werkzaamheden uitvoeren? Is er een andere explosieveilige werkwijze mogelijk, zoals het buiten de zone klaarmaken van de installatie en dan pas op de locatie plaatsen?
Zo zijn er een aantal stappen die u moet doorlopen om te kijken of u de werkzaamheden op een andere wijze veilig uit kan voeren. Wanneer u tot de conclusie komt dat er een alternatieve werkwijze mogelijkheid is, mag u niet alsnog de werkzaamheden met niet explosieveilige apparaten in zone 2 uitvoeren. U zult dan voor het alternatief moeten gaan, ongeacht de kosten of tijd die het extra kost.

Jansen heeft twee voorbeelden:
Allereerst een zone waarin tankauto overlading plaatsvindt. Zolang er verlading plaatsvindt, is het gebied rondom de verlading een explosie gevaarlijke zone. Maar wanneer u de verlading stopt en de tankauto weg is, is de omvang van de zone veel kleiner en zijn er waarschijnlijk geen zone 1 gebieden meer aanwezig en kunnen er op die plaatsen – waar geen gevarenzone aanwezig is – werkzaamheden plaatsvinden.

Een ander voorbeeld geldt voor las- en slijpwerk. Deze activiteiten zijn nooit toegestaan in een gebied met explosiegevaar, dus in geen enkele zone. Dat betekent eigenlijk dat u het werk naar een niet-gevaarlijke zone moet brengen. Is dat niet mogelijk, dan kunt u kijken naar het creëren van een ‘safe habitat’, bijvoorbeeld door een overdruktent te plaatsen waarbij u binnen de tent geen explosieve zone heeft en waar u veilig kunt lassen en slijpen. Uiteraard niet aan de installaties waar de brandgevaarlijk stoffen door heen gaan.

De komst van NTA 9714

Jansen is lid van de werkgroep die op dit moment bezig is met het opstellen van een NTA 7914: een technische afspraak hoe u als bedrijf aan de wetswijziging invulling kunt geven. De zienswijze van Inspectie SZW geeft al een redelijk duidelijk stappenplan, maar zorgt toch nog bij veel gebruikers voor vraagtekens. Vragen als: hoe kan ik de gevarenzone weghalen of verlagen? Wanneer is het goed genoeg?

De NTA 7914 moet helderheid scheppen. Dit document helpt u met de volgorde waarin u afwegingen moet maken om aan de wetgeving te voldoen. Maar het helpt u ook op welke wijze u een analyse uit kunt voeren en wat er in de analyse moet staan. Het wordt dus een leidraad voor de gebruiker. Op het BRZO-congres zal er meer over NTA 7914 worden verteld, inclusief de verwachte publicatiedatum.

Jansen beseft dat deze regels extra maatregelen, inspanningen en ook extra kosten van bedrijven vragen. Waar voorheen even snel werd gelast na een LEL meting, moet er nu eerst een heel stappenplan worden doorlopen en moeten de brandbare stoffen worden verwijderd of een hele ‘tent’ worden opgebouwd. Maar tegelijkertijd merkt hij ook op dat aan een mensenleven geen geldbedrag valt te koppelen. Het is altijd een vraagstuk tussen veiligheid en kosten, maar de veiligheid moet altijd voorop staan.

Gerdian Jansen zal tijdens het nationaal BRZO-congres op 4 november verder ingaan op dit onderwerp. Dit is het jaarlijkse onafhankelijke kennis- en netwerkplatform voor de gehele BRZO-keten. Bekijk hier het volledige programma van het nationaal BRZO-congres.

Verder lezen?

Laat uw e-mail achter en ontvang de brochure Nationaal Congres BRZO direct in uw mailbox.