Print:

Wat u altijd al wilde weten over actuariële pensioenkennis, maar nooit durfde te vragen!

Léon Zijlmans, Eigenaar

LinkedIn profiel

Het is alweer een jaar geleden dat er grote veranderingen werden doorgevoerd op pensioengebied in Nederland, zowel fiscaal als actuarieel. Inmiddels zijn we er bijna allemaal al aangewend dat we langer zullen moeten doorwerken om uiteindelijk met een lager te gaan genieten van onze oude dag dan onze ouders dat nu doen.
Eerlijk gezegd was er geen actuaris nodig om deze gevolgen uit te kunnen rekenen.

1. De invloed van de marktrente

Moeilijker wordt het echter om te doorgronden wat de gevolgen zijn van de wijzigingen in de Pensioenwet, hoofdstuk 6: het financieel toetsingskader (FTK). Het is een feit dat de marktrente, zowel voor de korte als voor de lange termijn, de afgelopen jaren bijna continu aan het dalen is. Actuarieel (en wettelijk volgens het FTK) kunnen pensioenfondsen en verzekeraars er niet omheen om voor de contante waarde van de toekomstige pensioenuitkeringen rekening te houden met deze dalende marktrente. Om de vergelijking te maken met een spaarrekening die de rente vergoed volgens de rentetermijnstructuur (RTS); zou u 60 jaar lang een vast bedrag willen opnemen van uw rekening, dan zou u eind 2015 ruim 50% meer op uw spaarrekening moeten hebben dan eind 2006. Deze grote toename wordt mede veroorzaakt door de nieuwe vaststelling van de Ultimate Forward Rate (UFR); door deze nieuwe UFR-methode zal de ‘lange rente’ voorlopig nog verder dalen.

2. De stijgende levensverwachting

Gelukkig blijkt dat ook wij ouder worden dan onze ouders en voorouders. En de levensverwachting van onze nakomelingen zal zeer waarschijnlijk weer gunstiger dan die voor ons. Het is logisch dat dit ook consequenties heeft voor de contante waarden van de pensioenen, met name als we bedingen dat de al opgebouwde pensioenen ten minste nominaal gelijk moeten blijven, maar het liefst nog worden gecorrigeerd voor de inflatie. Feit is echter dat in de in het verleden betaalde premies nog niet (voldoende) rekening was gehouden met de sterke toename van de levensverwachting. Zo is de prijs voor een ongewijzigd pensioen vanaf 65 jaar (het voorlopig overgrote deel van het ouderdomspensioen zal nog steeds in gaan op 65 jaar) de afgelopen ca. 10 jaar met ca. 20% gestegen voor een 45-jarige deelnemer. Hiervan komt ca. 4% door het feit dat de 45-jarige een grote kans heeft om 65 jaar te worden; aansluitend zal hij echter ca. 16% langer leven als gepensioneerde dan een werknemer die 10 jaar geleden met pensioen ging!

3. ALM studie

Door zowel de dalende marktrente als de stijgende levensverwachting zijn pensioenen de afgelopen jaren dus aanzienlijk duurder geworden; voor een zelfde pensioenopbouw is voor een 45-jarige deelnemer nu meer dan een dubbele premie nodig ten opzichte van ca. 10 jaar geleden.

De benodigde extra middelen om de pensioenen in de toekomst uit te kunnen blijven keren moeten behaald worden uit extra beleggingsrendementen. Daarbij wordt ook nog verwacht dat er voldoende rendement wordt behaald om de financiële positie van het pensioenfonds dusdanig gezond te houden (of te maken) dat de pensioenen zelfs kunnen worden aangepast aan de inflatie. Dit alles vereist een zorgvuldig vastgestelde beleggingsmix. Met behulp van een Asset Liability Management (ALM) studie kan berekend worden wat, uitgaande van bepaalde aannames, de kansen zijn op een gezond fonds en er tevens (gedeeltelijke) waardevastheid voor de pensioenen is.

4. De rol van pensioenverzekeraars

Al enkele jaren geleden liet De Nederlandsche Bank doorschemeren dat het aantal pensioenfondsen aanzienlijk zou moeten worden beperkt, o.a. omdat de uitvoeringskosten naar verwachting bij kleine en middelgrote pensioenfondsen een te groot beslag zouden leggen op de kostendekkende premie. Uiteindelijk zullen er waarschijnlijk ca. 100 fondsen overblijven (ter vergelijking, ca. 20 jaar geleden waren er nog ruim 1000 pensioenfondsen). De afname in het aantal fondsen kan bereikt worden door fusies (vooral de middelgrote en grote pensioenfondsen) of door liquidatie van (met name de kleine) pensioenfondsen. En vooral de sociale partners achter deze tweede groep pensioenfondsen zullen kiezen voor een rechtstreeks verzekerde pensioenregeling. En daarbij hoort dan ook de overname van de opgebouwde pensioenen.
Om als verzekeraar een goed en realistisch bod te kunnen doen voor overname van deze opgebouwde pensioenen zult u moeten kunnen doorgronden hoe de op de balans van het pensioenfonds vermelde pensioenverplichtingen zijn vastgesteld. Natuurlijk kunt u hiervoor kijken bij de toelichting op deze balanspost, maar die toelichting staat vol met actuariële terminologie. En hetzelfde geldt voor de vaststelling van de wettelijke buffers in het fonds.

5. Het Algemeen Pensioenfonds (APF)

Vanaf 1 januari dit jaar is het mogelijk een APF op te richten. Naar verwachting zullen vooral pensioenverzekeraars een APF oprichten om daarmee onder de zware Solvency II vereisten uit te komen. Hiermee ontstaat de mogelijkheid om ‘verzekerde’ pensioenen mee te laten fluctueren met de levensverwachting en beleggingsrendementen. Dit kan dus het einde betekenen van de pensioenregelingen met gegarandeerde uitkeringen.

Graag tot ziens op 21 & 22 november 2016 tijdens de training actuariële kennis voor niet-actuarissen in de pensioensector.

Wij gebruiken cookies om IIR.nl gemakkelijk te maken. Bezoekt u onze website, dan gaat u akkoord met deze cookies meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten